Boeddha logeerde in een dorp; er kwam een vrouw naar hem toe, ze weende en huilde en krijste. Haar kind, haar enig kind, was plotseling gestorven. Omdat Boeddha in het dorp was zeiden de menen: ‘Huil maar niet. Ga naar deze man. De mensen zeggen dat hij oneinidg mededogen is. Als hij het wil, kan het kind herleven. Dus je moet niet huilen, ga naar deze Boeddha’.

De vrouw kwam met het dode kind, ze huilde, ze weende en het hele dorp kwam achter haar aan. Heel het dorp was aangedaan. Boeddha’s discipelen waren ook aangedaan. Ze begonnen in gedachten te bidden dat Boeddha toch maar mededogend zou zijn. Hij moet het kind zegenen zodat het weer tot leven komt, tot opstanding. Heel wat discipelen van Boeddha begonnen te wenen. Het tafereel was zo aandoenlijk, het gaat je door merg en been. Iedereen was stil. Boeddha bewaarde het stilzwijgen. Hij keek naar het dode kind, zei niets en keek naar de wenende, huilende moeder. Na enige tijd zei hij tegen de moeder: ‘Huil niet, doe één enkel ding en je kind zal weer leven. Laat dit dode kind hier, ga terug naar het dorp, ga bij elk huis langs en vraag al die gezinnen of er ooit iemand in hun familie gestorven is, vraag dan van hen iets te eten, wat brood, wat rijst, of wat dan ook. En dat brood of die rijst zal het kind onmiddelijk weer tot leven brengen. Ga maar. Geen tijd te verliezen’.

En de vrouw was gelukkig. Ze had nu het idee dat het wonder ging gebeuren. Ze raakte Boeddha’s voeten aan en holde naar het dorp wat niet erg groot was. Er waren een stuk of wat huisjes, enkele families maar. Ze ging van de ene familie naar de andere met haar vraag. Maar iedere familie zei: ‘Nee onmoglijk. Er is geen enkel huis, niet alleen in dit dorp, maar overal op aarde, waar nooit iemand gestorven is, waar de mensen niet door de dood geleden hebben door de ellende en de pijn en het verdriet wat daaruit voortkomt’.

Langzaam maar zeker drong het tot de vrouw door dat Boeddha een handigheidje had gebruikt. Dit was onmogelijk. Maar toch was er nog steeds hoop. Ze ging door met vragen tot ze het hele dorp rond was gegaan. Haar tranen droogden op, haar hoop ebde weg, maar ineens voelde ze dat er een nieuw gevoel van rust over haar heen kwam, een sereniteit. Nu drong het tot haar door dat al wie geboren is sterven moet. Het is alleen maar een kwestie van jaren. De één sterft eerder, de ander later, maar de dood is niet te vermijden. Ze ging terug, raakte weer aan Boeddha’s voeten en zei tegen hem: ‘Net wat de mensen zeggen, u heeft waarlijk een diep mededogen voor de mensen’. Niemand kon begrijpen wat er gebeurd was. Zijn discipel Ananda vroeg Boeddha: ‘U had de jongen kunnen doen herleven. Hij was zo’n mooi kind en de moeder was zo in en in verdrietig’. Maar Boeddha zei: ‘Zelfs als het kind was herrezen, zou hij toch hebben moeten sterven. De dood is onvermijdelijk’. Ananda zei: ‘Maar u schijnt niet erg gevoelig te zijn voor de mensen, voor hun ellende en droefheid.’ Boeddha antwoordde: ‘Ik ben sensitief, jij bent sentimenteel. Juist omdat je gaat wenen, denk je dat je sensitief bent? Je begrijpt het leven niet. Je bent je niet bewust van het verschijnsel’.

In de stilte, die in Boeddha aanwezig was, werd sensitiviteit als opmerkingsbegaafdheid benut. De sensitiviteit bracht de ander tot inzicht. Het waarachtige mededogen was er omdat hij deze vrouw hielp te groeien, hielp tot rijping te komen. Sentimentaliteit is gewoon, sensitiviteit is buitengewoon. Ze wordt verkregen door inspanning en een mogelijkheid in het leven indien de sentimenten geen zware druk mee op je uitoefenen. Dan pas komt de ruimte. Sensitiviteit betekent een oplettendheid die alles aanvoelt wat er rondom je gebeurt. En je kunt alleen aanvoelen wanneer je niet gehecht bent, als er geen sentimentaliteit aanwezig is. Als je gehecht bent, ben je niet langer daar om te voelen, je bent uit jezelf weggegaan. Belangrijk om aanwezig te blijven. Als het ware dus in je ‘eigen binnenwereld’ terwijl de film van ‘de buitenwereld’ zijn gang gaat.

Bron: Eszenzz Center Amsterdam