In een mooie monumentale boerderij ergens in Nederland woonde een doorgewinterde therapeute van middelbare leeftijd. De omgeving waarin ze woonde, was bijzonder. Haar huis stond midden in de polder. De woning schuilde in haar pracht aan een oude dijk. Rust, natuur en vrijheid omarmden de woonplek en haar bewoners. Er was slechts één andere woning dichtbij en dat was de boerderij van de buurman. Hij was van huis uit een echte boer en de boerderij had hij jaren geleden van zijn ouders geërfd.

Zijn boerderij was een ouderwetse klassieker met stallen die vroeger dienden als een belangrijke verblijfplaats voor de vele koeien. Nu woonde de man al jaren alleen en genoot hij van zijn oude dag. Er waren alleen nog twee paarden, een oude koe, enkele geiten, een bok, twintig kippen en een haan die hij uit hobby met liefde verzorgde. Hij kreeg regelmatig kinderen op bezoek die hem hielpen met het verzorgen van de dieren. Zowel de vrouw als haar buurman hadden een groot stuk grond. De boer bezat een akker in ruste en de vrouw onderhield een enorme tuin met statige bomen die zorgden voor beschutte plekken waar je heerlijk in de schaduw kon zitten terwijl je kon genieten van het geluid van de stilte.

Op een mooie zomerse dag, net voor het middaguur, kwam de boer bij zijn buurvrouw op visite. “Dag Marjan, wat een zonnetje vandaag. Ik dacht even een bak koffie te komen doen”, zei hij met een brede vragende grijns op zijn gezicht. “Ha die Henk, is goed hoor. Ga zitten, ik zal even lekker koffie voor je halen. Ik heb toevallig net koffie gezet”. De boer ging op het terras zitten en draaide een sjekkie. Enige tijd later kreeg hij zijn kopje zwarte koffie voorgeschoteld.

“Druk vandaag?, vroeg Marjan aan hem. “nou, het valt wel mee. VAnmiddag komen de kinderen wat meehelpen. Het is vakantie hè, dan komen ze bijna elke dag. Daar ben ik wel blij mee want het grote kippenhok moet ook weer eens goed onderhanden worden genomen. Het lukt me steeds moeilijker om het in mijn eentje te doen, merk ik. Die rug is soms zo stijf als een hark”, lachte hij hard.

“Ja joh, we worden allemaal een stukje ouder. Fijn dat de kinderen mee willen helpen en dat ze er zo’n plezier aan beleven. Hoeveel kippen heb je eigenlijk nog?”, vroeg Marjan terwijl Henk zijn kopje koffie voor zijn mond had. “Op dit moment nog negentien, ik had er altijd twintig maar er is er eentje doodgegaan vannacht”, ze Henk op een zachte toon. Marjan keek verbaasd. “Doodgegaan vannacht? Was hij ziek die kip, of wat is er gebeurd?” Henk zetten zijn half opgedronken bak koffie zachtjes terug op het schoteltje. “Ja, wat zal ik ervan zeggen. Ik snap het eigenlijk zelf niet zo goed. Ik heb het vermoeden dat hij is gebeten door een ander dier. Maar dat dier moet dan wel van buiten zijn gekomen want het kan nooit zijn gebeurd door een van mijn eigen dieren”.

Henk staarde enkele momenten voor zich uit terwijl zijn sjekkie tussen zijn vinkers inmiddels een lange piek van as had gevormd die dreigde op de tafel te vallen.  “O, dan denk ik dat ik wel weet wat er is gebeurd”, zei Marjan. Henk ontwaakte direct uit zijn starende hoedanigheid en keek omhoog naar Marjan die naast hem stond de planten water te geven. “Ja, ik weet het niet zeker natuurlijk, maar ik was vanmorgen al vroeg op en ik liep achter in de tuin. Toen zag ik op jouw akker een vos wegrennen richting het bos. Het zou goed kunnen zijn dat die vos er iets mee te maken heeft. Hoe ontdekte je het eigenlijk, dat de kip was doodgebeten?”

Henk nam zijn starende blik weer aan en viel even stil. “Nou, zoals elke morgen doe ik mijn ritueel. Het eerste dat ik doe, is de kippen voeren. Ik kom vervolgens binnen in het hok en ik kijk op de grond, en ….” Henk viel stil. Marjan keek hem aan in afwachting op het vervolg van zijn ervaring deze ochtend, maar Henk zei niets. “En toen?”, vroeg Marjan.

In plaats van zijn verhaal te vervolgen, snikte deze nuchtere man het uit. Hij legde zijn hoofd op zijn arm die op de tafel rustte en huilde steeds harder en luider. Het leek alsof de boer het niet meer in de hand had. Hij moest wel huilen en kon zich er niet meer tegen verzetten. Als een klein kind snikte hij aan een stuk door. Marjan zag het gebeuren en was erg verbaasd. Zo had ze haar buurman nog nooit gezien. Ze zag dat de emotionele activiteit meer moest betekenen dat alleen het overlijden van een kip. Henk was altijd een no-nonsense type en daar door zeker niet niemand die met zijn emoties te koop liep. Het enige dat ze op dat moment deed, was hem laten huilen.

Ze zei niets, raakte hem niet aan maar liet het gewoonweg gebeuren. Het had blijkbaar ruimte nodig. Ze wist dat ze dit niet moest onderbreken maar het er in zijn totaliteit moest laten zijn. Wellicht hielp het ook dat er in de verre omgeving niemand was die Henk zo kon zien en dat hij de controle opgaf om het verdriet er zo te laten zijn.

Na zo’n tien minuten werd het stil. Henk bleef nog een tijdje met zijn hoofd op zijn armen bewegingsloos half op tafel liggen. Hij zuchtte diep. Marjan was inmiddels naast hem gaan zitten en wachtte af wat er vervolgens ging gebeuren. Na enkele minuten ging het hoofd van Henk langzaam weer omhoog en wreef hij over zijn natte gezicht. “Kanonnen, het is toch wat”, perste Henk eruit. “Dit is echt niet normaal toch? En dat voor een kip”.

Marjan gaf Henk een zakdoek en vroeg: “Maar wat gebeurde er nu precies met je? Je vertelde dat je het hok binnenkwam en dat je op de grond keek. Toen werd je opeens emotioneel. Wat zag je op het moment dat je het kippenhok binnenliep en dat je zo moest huilen?” Henk keek nog wat verbaasd voor zich uit en begon het vervolgens uit te leggen. “Het is zo vreemd. Ik kwam dat hok binnengelopen en keek dus naar de grond. Toen zag ik die dode kip in de hoek op de grond zitten. Ik zag dat er in hem was gebeten en vervolgens viel mijn oog op zijn houding. Hij zat daar levenloos en zijn kopje hing naar links op zijn lichaam, een klein beetje achterover. Dat beeld bracht mij opeens terug naar vroeger, toen ik een jaar of twaalf was. Ik was naar school geweest en ik  fietste naar huis. Eenmaal thuis aangekomen zette ik de fiets in de schuur en liep vervolgens naar binnen toe. Schoenen uit en toen de huiskamer in. En daar zat mijn moeder in haar grote leren stoel met de rugleuning naar mij toe gedraaid.

Ik groette haar me ze zei niets terug. Daar ik dat vreemd vond, liep ik naar haar toe en toen ik eenmaal voor haar stond, zag ik dat ze in een vreemde houding in de stoel zat. Ik schrok want ik had het gevoel dat er iets niet klopte. Ze ademde niet en ze zat zo stil. Haar hoofd hing naar links en een beetje achterover tegen de leuning, echt precies zoals de houding van de kip in het hok. Ik rende naar buiten en zocht mijn vader om snel te komen kijken. Hij onderzocht haar en vertelde dat mijn moeder was overleden. Een enorme schok overviel mij, ik zakte door mijn knieën en hield mijn gezicht vast met beide handen. Ik moest even hard huilen maar mijn vader pakte me op omdat ik moest helpen een mapje te zoeken waar alle belangrijke telefoonnummers in stonden. Ik kon dat natuurlijk niet vinden omdat i  moest huilen en in paniek was.

Mijn vader schreeuwde dat ik niet moest huilen maar dat hij onmiddellijk dat mapje moest hebben. Uiteindelijk vond ik het mapje en kwamen er allerlei mensen bij ons thuis onder wie de dokter en een ziekenwagen. Ik had gewoon geen tijd om te huilen. Het ging allemaal zo snel. De dagen erna leek het alsof ik in een soort van innerlijk niemandsland was terechtgekomen. Als een grote waas voelde het. Een soort van gevoelloosheid, ik was er en ik was er niet.

Mijn vader bleef maar tegen me zeggen dat ik sterk moest zijn en dat ik niet moest huilen. Dat heb ik daarna ook niet meer gedaan. Ik hoefde niet te huilen in dat niemandsland en ik mocht niet huilen van mijn vader. Tot het moment an vandaag, ruimt vijftig jaar later.

De beelden van toen kwamen vanmorgen glashelder voor mijn ogen op het moment dat ik de kip op de grond zag zitten. Ik zag geen kip, maar ik zag mijn moeder. Het lijkt wel alsof ik nu pas echt huil om het sterven van mijn moeder. Alsof de kip ervoor heeft gezorgd dat het verdriet er uitkomt, dat het alsnog eruit moest, Het voelt ook als een soort opluchting nu, alsof er meer ruimte is ontstaan. Ik verbaas me over mezelf en over deze situatie”. Zo praatten Henk en Marjan nog een tijdje na over deze bijzondere gebeurtenis tot het moment dat Henk weer opstond en huiswaarts keerde. De kinderen waren gearriveerd.

Dit is geen verzonnen verhaal maar het is in essentie waargebeurd. Het is een mysterieuze gebeurtenis. Een gebeurtenis die we allemaal in het leven kunnen tegenkomen. Een nieuwe gebeurtenis in het hier-en-nu die je als vanzelf terugvoert naar een gebeurtenis van vroeger.

Ik had zelf een vervelende tijd op de kleuterschool. Ik ging er niet graag heen want in dat gebouw stonk het altijd op een bepaalde manier en daarnaast was ik bang voor de juffrouw. Ze was erg groot en had een zware en luide stem. Ik vond haar helemaal niet leuk en alles wat ik wilde, mocht niet. Ik kreeg altijd commentaar en voor de leuke dingen werden altijd andere kinderen uitgekozen. Alsof ze me niet mocht, zo voelde ik dat. Als ik ’s morgens naar school moest, was het voor mijn moeder een hele opgave om mij naar school te krijgen. Ik stond elke ochtend in de gan voor de voordeur met mijn jas aan te krijsen. Aangezien ik zo bang was om alleen te worden gelaten, heeft ze me een lange tijd nar school gebracht en vertelde ze dat ze buiten op me zou wachten. Ze zou zich verschuilen achter een grote boom zodat ze voor mijn gevoel altijd dichtbij was. Dat hielp voor de geruststelling. Ik vond overigens wel dat als het erg hard regende en bliksemde, dat ze dan eventjes naar huis toe mocht.

Jaren later, ik was begin twintig, kreeg ik mijn eerste echte baan. Ik werd verkoper in een winkel met onder andere audio-apparauur. Dat was tevens mijn hobby. Op de eerste dag kreeg ik een rondleiding en beneden was het magazijn. In dat magazijn lag een rek vol met allerlei kabels. Kabels die werden verkocht voor bijvoorbeeld stopcontacten en tuinverlichting. Toen ik voor dat rek stond, rook in een sterke lucht, het was de geur van rubber, die van de kabels afkwam. Het was exact dezelfde geur die ik herkende van de kleuterschool vroeger. Direct overviel mij de emotie om alleen te worden gelaten en bracht die situatie mij in een flits naar mijn jeugd.

Ik zag het gezicht van de juffrouw weer op mijn lens. Wat ik toen nog niet wist, was dat ik iets met dat gevoel moest doen. Ik moest er ruimte aan geven, ruimte aan de angst van alleen zijn. Een angst die ik in mijn kinderjaren vaak ben tegengekomen. Als ik het had geweten, had ik dat gevoel in het magazijn er laten zij om het te doorvoelen. Maar dat gebeurde pas later.

Wees jezelf ook eens bewust van situaties waarin je vergelijkbare herinneringen krijgt. Het je hiervan bewust worden is een belangrijke stap. Hooggevoelige mensen kunnen gemakkelijk overvoerd raken door emoties, zonder de herkenning dat het mogelijk oude pijnen zijn die zich manifesteren. Het objectief waarnemen van de sensaties in het lichaam is essentieel. Hiermee ben je introspectief, je onderzoekt innerlijke processen in plaats van er slachtoffer van te worden. Hierdoor verlies je jezelf namelijk niet. Je gaat de emoties als het ware aanschouwen.

Wees benieuwd naar wat er in je gebeurt in die momenten en schrijf ze bijvoorbeeld eens op. Als de huidige situatie het niet mogelijk maakt, kun j e ook op een later tijdstip objectief naar je emoties gaan kijken indien ze nog aanwezig zijn. Herkenning van de oude pijn is dus de eerste stap zodat je er niet door overvoerd raakt. Als je de emoties herkent, ben je bewust in het hier-en-nu. Door deze herkenning wordt het veel eenvoudige de oude pijnen er te laten zijn. Net als de boer in het verhaal dat deed.

Wees niet bang voor deze emoties, maar blijf waarnemen wat er in je gevoelswereld gebeurt. Geef deze gevoelens de ruimte in het hier-en-nu, in de wetenschap dat het slechte emoties zijn van vroegere momenten die nog niet eerder de kans kregen zich te manifesteren. Zo kom je losser te staan van het automatisch lijden en ben je niet meer overgeleverd aan de emoties, die je volledig opslokken in willekeurige momenten.

Bron: Antoine van Staveren